Stefan en Niki emigreerden. Ze wonen in Gent in een barak op het domein van De Lijn, in afwachting van een job, sociale steun of een thuis, die nooit komen. Om te overleven sprokkelen ze oud ijzer dat ze verkopen aan een schroothandelaar, wat amper 10 euro per dag opbrengt. Wanneer De Lijn haar grootste stelplaats wil bouwen op het domein en de krotwoning laat afbreken, is de droom van een menswaardig bestaan verder af dan ooit.
Wil Mathijs schetst een portret van Bulgaarse migranten die hun geluk zochten in België maar van de regen in de drop terechtkwamen.