Op de vooravond van Poetins afscheid als president — voorjaar 2008 — maakt De Boose een balans op.
Hij onderzoekt hoe de situatie geëvolueerd is sinds het einde van de Sovjetunie. Hij neemt de lezer mee op een lange reis door de ruimte en door de tijd. Zo legt hij meer dan 12.000 kilometer af, van Moskou naar Vladivostok en van Sint-Petersburg naar de Kaukasus. De tijd die hij beschrijft, beslaat meer dan een millennium. Tijdens zijn talrijke reizen, die hij aaneenknoopt tot één ononderbroken verhaal, gaat hij op zoek naar wat het geluk van Rusland zou kunnen zijn.
Wanneer ik me soms afvroeg waar Rusland lag, niet op de kaart maar in het echt, dan kwam ik uit aan de keukentafel in een Moskouse flat. Tal van Russische twintigste-eeuwse schrijvers hebben hun grootste werk aan de keukentafel geschreven. De keuken is in de krappe Russische flatwoningen de leefbaarste ruimte: de warmte van het komfoor blijft er lang hangen, het ruikt er naar koriander en vanille, en je kunt er ’s nachts onder een peertje ongestoord in je eentje zitten.
Huisgenoten snurken in een andere kamer op een slaapbank, en in het toilet met de poepbruine afvoerbuizen, waar het naar Stalins snor stinkt, ritselt slechts nu en dan een kakkerlak.
In die mengeling van kneuterigheid en walging is een aanzienlijk deel van de Russische literatuur geboren.
Als ik soms heimwee naar het Rusland van voor de perestrojka zou blijken te hebben, wat God verhoede, komt dat door de keukentafel, het altaar van de Russische cultuur, waarop heel wat geofferd is.