2020-10-21

AMSTERDAM - Samen met fotografe Nicole Segers ondernam journaliste Irene van der Linde een zoektocht naar de betekenis van de nieuwe grenzen op de Balkan. Het resultaat is een boek op twee snelheden, waarin de taal het soms overneemt van het beeld, en het beeld het soms overneemt van de taal. Op vraag van het Fonds vertellen ze hoe het boek tot stand kwam. "We zagen de EU de afgelopen 20 jaar veranderen van een groots, verwachtingsvol en veelbelovend project, naar een verdeelde en teleurgestelde fortificatie." 

Toen wij – journalist en documentair fotograaf - in september 2001 voor het eerst naar de Poolse oostgrens vertrokken om een verhaal te maken over de betekenis van de EU-uitbreiding die voor de deur stond, kenden we elkaar nog niet. We hadden toen ook nog geen idee dat dat reisje zou leiden tot een liefde, een boek - waarbij we de hele nieuwe 7000 kilometerlange oostgrens van de Europese Unie zouden gaan afrijden, een verblijf van een jaar in Istanbul, nog en boek, en daarna vier reizen door de westelijke Balkan - wederom in de periferie van de EU. Zo zagen we met deze trilogie de EU de afgelopen 20 jaar veranderen van een groots, verwachtingsvol en veelbelovend project, naar een verdeelde en teleurgestelde fortificatie.

Het idee voor dit derde boek Bloed en honing ontstond al in Istanbul (2007/2008). Veel landen uit voormalig Joegoslavië, en ook Albanië, wilden lid worden van de EU. Het was het laatste zwarte gat op de kaart van Europa. De EU-buitengrens liep dwars door het voormalige Joegoslavië. Na de Joegoslavische oorlogen in de jaren negentig van de vorige eeuw is de aandacht voor de regio verdwenen, niemand kijkt er meer naar dit post-conflictgebied om. Hoe gaat het daar eigenlijk? vroegen wij ons af. Wat betekenen al die ontstane grenzen in het gebied in het dagelijks leven van mensen? En wat voor rol speelt de EU eigenlijk? Voor het bewaren van vrede en veiligheid was de voorloper van de EU immers ooit opgericht.

In 2012 maakten we onze eerste research-reis door de regio. We gingen in de voetsporen van Rebecca West, de Britse journaliste die in 1937 door het toenmalige koninkrijk Joegoslavië reisde. Toen bestond het land net 20 jaar, nu wij erdoorheen trokken was het net 20 jaar eerder uiteengevallen.

We waren in eerste instantie totaal overweldigd door het effect wat dit post-conflictgebied op ons had: de trauma’s, de vernieling die nog op tal van plekken zichtbaar was, de ontkenning. Maar ook fascineerde ons het gebied, het landschap, de geschiedenis, de jongeren. Naast ons andere werk zetten we door, maakten in 2013 een verhaal voor De Groene Amsterdammer over de uitbreiding van de EU met Kroatië, reisden wederom langs die oostgrens. In 2014 pakten we de draad weer op en maakten dezelfde reis als in 2012 in het voetspoor van Rebecca West, en nog eens in 2017. Elke keer weer diezelfde route. We zochten sommige mensen telkens weer op, zagen soms hoe hun leven veranderde, of niet.  En zo verpanden we ons hart aan hen en de regio. Ook konden we doordat we over de jaren heen steeds weer dezelfde plekken en regio’s bezochten, goed zien wat het effect van de grenzen die vaak onzichtbaar dwars door de landen heenliepen, op de lange termijn was. We zagen het langdurige gevolg van de versnippering, het terugtrekken in eigen etniciteit, de gevolgen van corruptie, armoede en oorlogstrauma.

Thuis begon het maakproces. Elk gingen we in ons eigen atelier en kantoor zitten, maakten we ons eigen verhaal. Daarna legden we dat naast elkaar. We hadden al eerder bedacht dat we beeld en tekst dit keer samen het verhaal wilden laten vertellen. Maar om dat te kunnen doen wilden we eerst elk ons eigen deel creëren. We wilden daarna experimenteren met een nieuwe vorm van vertelling. In ons eerste boek hadden we beeld en tekst deels gescheiden, in het tweede helemaal. Taal en beeld vertelden een ander verhaal en vulden elkaar aan. Nu wilden we beide disciplines ook inhoudelijk mengen. Eén verhaal samen vertellen, op twee snelheden: kijken en lezen.

Daarvoor gingen we eerst met beeld- en verhaaleditor Marc Prüst een week in een huisje zitten. We lazen het manuscript hardop voor, de beelden voor ons op tafel. Zo begonnen we gedrieën aan het componeren. Waar beeld van was, braken we in de tekst in, voegden het beeld toe, haalden stukken uit de tekst die overlapten. En andersom. Telkens maakten we de keuze van welke manier van vertellen het sterkst was, bepaalden we het ritme. En zo bouwden we blokje bij blokje het boek op. Later verfijnden we dit, bouwden we verder.

Daarna zochten we ontwerpers die deze gedachte achter het boek konden uitwerken.

Zo kwamen we bij Smel *Design. Voor het boekconcept en het uiteindelijke ontwerp van dit project vormde het boek van de Japanse fotograaf Daido Moriyama dat hij samen met de romanschrijver Osamu Dazai maakte onder de titel: Dazai, de inspiratie. Moriyama benadert in dit meesterwerkje tekst als ware het beeld. De beelden en teksten lopen door elkaar heen en vormen samen een visueel verhaal. Dat is wat wij voor ogen hadden bij het maken van Bloed en Honing: één reis in één doorlopend verhaal, waarin we afwisselend aan het woord zijn, als in een reisjournaal. Dat is nu de basis van Bloed en Honing: een boek op twee snelheden, waarin de taal het soms overneemt van het beeld, en het beeld het soms overneemt van de taal. Waarbij taal beeld wordt, en beeld verhaal. Teksten stoppen nooit halverwege de pagina, de lettergroottes passen zich daarin aan. Zo worden tekstpagina’s op dezelfde manier behandeld als beeldpagina’s.

Irene van der Linde,
Amsterdam 19 oktober 2020

> Lees hier meer over het boek Bloed en honing.